Laatste nieuws:
Voor altijd
Voor altijd

Voor altijd

Voor Dirk

Een nieuw vervolgverhaal van Lieve Wiesda, waarin de ziel van een overleden vrouw haar man moet behoeden voor zelfmoord.

De zon was warm en het landschap golfde voor haar uit. De lucht was zwaar van zomergeuren en het zich verwijderende gezoem van een bij maakte alles nog vrediger. Haar voeten leken de grond niet te raken en haar blik hechtte zich aan twee bomen, die uit één stam leken te groeien. Ze ging op de grond zitten, met haar rug tegen één van de stammen. Met liefdevolle ogen keek ze naar de andere boom en streelde de bast. Een vogel landde op haar schouder en kroelde zich in haar hals. Alles ademde rust en vrede, een vrediger plek was er niet. Plots leek het of er een wolk voor de zon kwam en een kille bries legde een koude hand rond haar hals. Ze huiverde. Een geel blad viel naar beneden en het vogeltje vloog weg.
Geschrokken keek ze omhoog, naar de andere boom. Enkele gele bladeren ontsierden de prachtige, glanzend groene kroon. Ze sprong op en sloeg haar armen om de stam. Er leek een rilling door de boom te gaan en in paniek klemde ze zich vast. Ze liet zich op haar knieën zakken, de boom nog steeds omhelzend. Ze legde haar wang tegen de schors en sloot haar ogen.

Het was donker. Dode bladeren ritselden rond haar blote voeten. Maar haar stappen maakten geen geluid, als raakten zij de grond niet. Haar doorzichtige, ijle gewaad golfde langs haar benen, maar de kou scheen haar niet te deren. Haar lange, donkere haren deinden op haar rug en waaiden af en toe in haar gezicht. Ze liep langs een verlichte deuropening, waar een vrouw haar kat stond te roepen.
De omgeving kwam haar bekend voor, ze wist waarom ze hier was en voelde zich verdrietig. Ze liep een tuin in en keek door het grote raam naar binnen. Op een stoel zat een man. Hij had verdriet: zijn kromme rug en schokkende schouders waren een toonbeeld van pijn. Toen ze nog leefde was dit haar man. Zij was na een ziekte overleden, gehaald door degene die in dit leven haar broer was geweest. En nu was ze teruggekomen om deze man te beschermen. Hij was haar man, vanaf het begin der tijden.
Ze konden niet zonder elkaar en werden altijd samen naar de aarde gezonden, waar zij elkaar altijd weer opnieuw ontmoetten en veel verdriet hadden, als de één dood ging. Want op aarde weet je niet wat er gebeurt als je overlijdt. Zelfs de wortels van hun levensbomen waren verstrengeld. Maar nu ging het fout: de man wilde dood, hij kon niet zonder haar leven.
Maar zelfmoordenaars gaan naar een andere dimensie en dan zouden ze elkaar kwijtraken. Je moest nu eenmaal wachten tot je werd gehaald. Zoals ze op aarde zeggen: tot het je tijd is.
Maar de man wist dat allemaal niet, dat besef was hij kwijtgeraakt op het moment dat hij zijn stoffelijke omhulsel aandeed bij zijn geboorte. Toen zij overleed stonden de bomen in knop, nu waren ze kaal. De man was dus al een poosje alleen, maar zijn verdriet wilde niet slijten. En nu had hij een beslissing genomen: op tafel stond een doosje pillen en een fles drank. Daarom was zij hier: ze wilde hem niet kwijt, ze moest dus voorkomen dat hij doodging voor zijn tijd. Hij zou dan niet gehaald worden en alleen de weg naar de verkeerde wereld kunnen vinden.

Ze stond voor hem in de kamer, streelde zijn haar en probeerde zijn tranen te drogen. Maar mensen konden haar niet zien of voelen. De man stond op, liep naar de keuken en pakte een glas uit een kastje. Ze werd bang en wist niet wat ze moest doen. Buiten zag ze iets bewegen: een poesje liep de tuin in. Ze liep naar het raam en lokte het diertje. Dieren zagen haar wel en hielden van haar. Het jonge poesje sprong op de plantenbak voor het raam, ging op haar achterpootjes staan en leunde met de voorpootjes tegen het glas. De man kwam terug en zag het poesje staan. Hij deed de voordeur open.
“Poesje, het is koud, wat moet je op straat, heb je geen huis?”
Zoals alle dierenliefhebbers praatte ook hij tegen dieren. Hij keek even naar het diertje en wilde de deur weer sluiten, het glas nog steeds in zijn hand. De vrouw stond naast hem en zorgde dat het poesje binnenkwam. Hij streelde het dier en gaf het melk op een schoteltje. Met een touwtje liet hij het springen en rennen en toen hij ging zitten sprong het op zijn schoot. Het begon zich luid spinnend te wassen en viel daarna prompt in slaap. De man was even afgeleid van zijn grote verdriet en keek vertederd neer op het slapende hoopje bont. De aanblik ontspande hem en maakte hem slaperig. Toen het poesje na een poosje wakker werd, zette hij het buiten en ging naar bed.

De vrouw voelde zich een beetje opgelucht: voor vanavond was het gevaar geweken. In de slaapkamer keek ze op hem neer en zag hoe hij ging slapen, in zijn armen het kussen geklemd waar zij altijd op had geslapen.
Ze hield van hem, voor altijd.

Zal het de vrouw lukken haar man te redden? Lees het morgen op Noordernieuws onder het kopje Vervolgverhalen of op onze facebookpagina.

Facebook14
Facebook
Twitter
Visit Us