Laatste nieuws:
Voor altijd
Voor altijd

Voor altijd (deel 2)

Voor Dirk

Laatste deel van het vervolgverhaal Voor altijd van Lieve Wiesda, waarin de ziel van een overleden vrouw haar nog levende man moet behoeden voor zelfmoord.

De volgende ochtend zat het poesje al voor het raam te wachten. De man lachte en liet het binnen. Hij zette melk neer en opende een blikje tonijn. Met een volgegeten buikje ging het poesje later op de bank naast hem zitten en begon aan een enorme wasbeurt. Terwijl hij het diertje tussen de oren kriebelde, dwaalden zijn ogen af naar het portret van zijn vrouw. Op de foto had ze een kat in haar armen en straalde ze van leven en liefde. De ogen van de man werden donker van verdriet en zijn mondhoeken trokken. Op dat moment sprong het poesje op zijn schoot, gelokt door de vrouw. Hij pakte het op en snikte in de vacht. Een ruw poezentongetje waste zijn voorhoofd en op de één of andere manier ging daar zo’n troost van uit, dat hij ophield met huilen.
Hij stond op, waste zijn gezicht en deed zijn jas aan, pakte een boodschappentas en ging de deur uit. Bij de kassa van de supermarkt merkte hij bij het afrekenen dat hij blikjes kattenvoer had meegenomen. Met een glimlach om zijn mond ging hij naar huis. Thuis opende hij een blikje voer, deed wat op een schoteltje en zag tevreden hoe het poesje ervan at. Op tafel stond nog steeds de fles drank en het doosje pillen. De man keek er lang naar, pakte ze en zette beide in de kast.
Op dat moment werd er gebeld. Hij deed open en zag een vrouw staan.
“Sorry, dat ik u stoor, meneer. Maar ik zoek mijn poesje. Die is al een paar dagen weg en ze is nog zo klein. Hebt u iets gezien?”
Hij keek haar aan: ze was niet groot, een beetje mollig, met uitbundig krullend haar. Grote ogen en een mond die naar lachen stond.
“Ja, ik vermoed dat uw kleine wegloper bij mij zit. Komt u even binnen.”
In de keuken slaakte ze een kreet van blijdschap.
Meneer, wat ben ik blij. Is ze hier al lang? En u hebt haar eten gegeven! Ik zal het graag terugbetalen.’”
“Dat hoeft niet. Ik vond het wel gezellig. Wilt u misschien koffie?”
Ze koos thee en na een uurtje ging ze weg. Dolgelukkig, het poesje op haar arm.

Hierna was het merkwaardig stil in huis. De man waste het bordje van het kattenvoer af en ging weer zitten. Alles leek weer nutteloos. De vrouw was tot het uiterste gespannen: er kon nog van alles verkeerd gaan. Maar de man deed zijn jas weer aan en ging een eind wandelen. Hij liep naar de begraafplaats en staarde lang naar het graf van zijn vrouw.
“Wat zou jij genoten hebben van die poes, je was altijd al zo gek op dieren.”
Zijn hart was zwaar, maar hij voelde die diepe wanhoop niet meer.

Een paar dagen later, toen hij thuis kwam van zijn werk, zag hij voor de deur een bekend bontje zitten. Miauwend, het roze bekje wijd open, liep het poesje hem tegemoet.
De man hurkte aaide haar: “Zo, ben je er weer? Weet je vrouwtje dat? Dadelijk loopt ze je weer te zoeken.” Hij opende de deur en het katje liep voor hem uit naar binnen, alsof het zo hoorde.
“Nou, dan wachten we maar op je vrouwtje. Ze zal wel snappen dat je hier zit.”
Een uurtje later ging de bel en de eigenaresse van de poes stond voor de deur.
“Is ze weer naar u toe gegaan? Ik hoop het wel. Ze is naar buiten geglipt toen ik de vuilcontainer buiten zette. En ze lag zo lekker te slapen, het is me een raadsel hoe ze ineens weg kon lopen.”
De vrouw in het ijle kleed glimlachte: af en toe moet je het lot een handje helpen. De man en het bazinnetje leverden telefoonnummers uit: dan konden ze bellen als het poesje weer weggelopen was en bij de man op de stoep stond.

Hun gesprekken werden steeds langer en op een avond gingen ze samen uit. De vrouw keek hen na en was niet bang meer: het zware om de man heen was weg. Ze kon gerust naar haar eigen wereld teruggaan.

De tijd ging voorbij, tijd die elders niet meetbaar is zoals bij ons. In haar wereld zag de vrouw dat de bladeren van de boom glanzend en donkergroen waren. Ze besloot nog één keer terug te gaan. Weer liep ze door de straten. Maar nu waren er geen dorre, bevroren bladeren. Het was laat in de zomer. Mensen zaten in tuinen en genoten van het heerlijke weer en de avondkoelte. Niemand zag de vrouw voorbijkomen. Het huis van de man was donker. Binnen zag het er anders uit: er stonden andere dingen tussen de vertrouwde spullen. Maar haar portret stond op dezelfde plaats. Ze ging naar boven, de slaapkamer in. Op het bed lagen twee mensen: de man en de vrouw met het krullende haar. In hun slaap hielden ze elkaars hand vast. Tussen hun benen lag het poesje, dat naar haar knipoogde en begon te spinnen. Ze streelde het diertje en kuste de man. Het was goed zo. Zijn tijd was nog lang niet gekomen en als het zover was, zou zij hem komen halen.
Want zij behoorden elkaar toe, voor altijd…

Binnenkort een nieuw vervolgverhaal van Lieve Wiesda

Facebook5
Facebook
Twitter
Visit Us