Laatste nieuws:
Pekjongen beroep

Oude en vergeten beroepen van vroeger: pekjongen

Op een scheepstimmerwerf had iedereen zijn taak. De meester wist hoe je een romp ‘laat zingen’ van stevigheid, de timmerlieden legden planken met vaste handen, en ergens tussen al dat hout, touw en hamers liep een jonge leergast rond met een opdracht waar je letterlijk je vingers aan kon branden: de pekjongen, ook wel pikjongen genoemd. Niet de stoerste titel op papier, maar vergis je niet: zonder zijn werk bleef een schip geen schip, maar een drijvende zeef.

Waarom schepen kieren hadden

Een houten schip bestond uit planken die samen de ‘huid’ van het schip vormden. Hoe knap je ook timmerde, planken sloten nooit perfect naadloos op elkaar aan. Hout werkt, krimpt, zet uit, en op zee krijgt elke verbinding het zwaar te verduren. Het resultaat: naden, spleten en kleine kieren tussen de gangen van de huid of de planken van het dek. En waar kieren zijn, vindt water zijn weg. Dus moest de romp worden dichtgemaakt, stevig én waterdicht.

Kalfaten: dichtstoppen met touw, ijzer en ritme

Dat dichtmaken heette kalfaten (ook wel kalefateren genoemd). Het principe was eenvoudig, de uitvoering minder. Met een kalfaathamer en een kalfaatijzer (of breeuwijzer) werd uitgeplozen touw, meestal van hennep, in de naden gedreven. Dat pluizige werk, soms ook ‘werk’ genoemd, moest precies goed zitten: niet te los, niet te hard. Te weinig en het lekte; te veel en je kon de plankverbindingen beschadigen. Het was een klus met een eigen ritme: hamerslag, ijzer verzetten, hamerslag. Een soort muziek, maar dan op de maat van de werf.

Wist je dat…

Het woord ‘kalefateren’ in het dagelijks taalgebruik ook ‘iets oplappen’ of ‘weer in orde maken’ is gaan betekenen? Dat is niet toevallig: op de werf was kalfaten het verschil tussen ‘lek’ en ‘klaar voor vertrek’.

De taak van de pekjongen: pek bereiden en gieten

En dan kwam de pekjongen in beeld. Hij was de leerling die belast werd met het voorbereiden van pek en het ondersteunen van het kalfaatwerk. Wanneer de vezels in de naad netjes zaten, werd er kokende pek of pik overheen gegoten. Dat warme, stroperige spul sloot de naad af en beschermde het touw tegen water en slijtage. Het werk was vies, ruikend, en vooral: gevaarlijk heet. Een onhandige beweging, een spat, een verkeerde windvlaag op de werf, en je had zo een brandwond te pakken. Het is niet moeilijk voor te stellen dat dit een taak was voor de jongste hulp: leren door doen, maar wel onder het oog van ervaren handen.

Breeuwen en het slimme geheim van natuurlijke vezels

Het mooie is dat die oude techniek niet alleen ‘dichtgooien’ was, maar ook slim gebruik maakte van natuurkunde. Natuurlijke vezels zoals hennep zwellen op zodra ze vocht opnemen. Komt er toch een beetje water door een naad, dan neemt het touw dat vocht op, zwelt, en dicht de kier nog strakker. De waterdichtheid berustte dus niet alleen op pek, maar ook op de eigenschap van het materiaal zelf. Een zelfversterkend systeem, eeuwen voordat iemand het woord ‘innovatie’ op een poster drukte.

Pekjongen of pikjongen: dezelfde jongen, hetzelfde werk

In bronnen kom je zowel ‘pekjongen’ als ‘pikjongen’ tegen. Het gaat om dezelfde rol: de jongste hulp op de werf die zich bezighield met pek, pluis- en kalfaatwerk. De naam zegt eigenlijk alles. Op de werkvloer wist iedereen wie je bedoelde: die jongen bij het vuur, bij de ketel, met de emmer, klaar om te gieten zodra de naden waren ‘geslagen’.

Een klein beroep met grote verantwoordelijkheid

Vandaag klinkt het bijna bescheiden: een leerling die pek bereidt. Maar op een werf waar schepen het verschil konden maken tussen handel en honger, tussen thuiskomen en vergaan, was waterdicht bouwen pure noodzaak. De pekjongen stond helemaal onderaan de ladder, maar zijn werk zat letterlijk in de naden van het schip. En zonder dat werk? Dan kon de rest timmeren wat ze wilde, maar bleef het schip niet lang droog.

Paul Witters

15 interacties