Laatste nieuws:
Ik volg je als een schaduw
Ik volg je als een schaduw

Ik volg je als een schaduw (deel 1)

Wim was een pure Narcist, gek op zichzelf en op zijn uiterlijk. Uren bracht hij door voor de spiegel om iedere vorm te inspecteren en vooral te bewonderen. Fitness, aquajoggen, pillen, crèmes, niets was hem te veel om zijn idee van perfectie te bereiken.
Naar vrouwen keek hij niet om, naar mannen ook niet, alleen naar zichzelf.
Een heel typische gewoonte was: hij bewonderde zich niet alleen in de spiegel. Hij mat zijn lijnen ook af naar zijn schaduw. Niet alleen had hij een grote spiegel hangen, hij had ook een felle lamp geïnstalleerd waar hij voor ging staan. Zonnige dagen waren zijn favoriet, overal bewonderde hij zijn schaduwpostuur.
Tevreden was hij nooit over wat hij zag, altijd was er wel een bobbeltje of een welvinkje wat hij lelijk vond. Omdat hij alleen zijn lichaam constant inspecteerde, zag Wim niet de ontevreden lijnen langs zijn mond of de groeven tussen zijn wenkbrauwen, veroorzaakt door zijn ontevreden blik.
Vaak mompelde hij: “Zolang die schaduw niet perfect is, ben ik het ook niet.”
Net als veel eenzame mensen, praatte Wim in zichzelf. En eenzaam was hij. Immers, als je geen interesse hebt in je medemens, alleen in jezelf en je enige gezelschap is je schaduw, dan vervreem je van de wereld om je heen.

Het was een grijze dag, Wim had de gordijnen dichtgetrokken, de lamp aangezet en bekeek zijn schaduw die hij tegen de muur tegenover zich zag. Hij draaide, nam diverse poses aan, bekeek het donkere profiel met half dichtgeknepen ogen en zei tot zichzelf: “Ze zeggen wel eens: die kan niet in mijn schaduw staan. Nu, IK ben te goed voor mijn schaduw”.
Hij pakte een stuk vel, trok het een beetje uit, draaide zich half om en bukte een beetje. “Kijk die kont nu eens, gewoon puntbillen. En mijn buik is niet strak genoeg. En dat is dan mijn schaduw. Afschuwelijk, je zou op zonnige dagen gewoon het huis niet meer uitdurven. Gauw die rotlamp uit.”
Hij stak zijn hand uit naar de schakelaar en op hetzelfde moment knalde de lamp uit elkaar.
Verstijfd bleef Wim staan. Overal lagen splintertjes glas, alleen de fitting zat nog in de armatuur.
“Hoe is dat nou weer mogelijk? Dat heb ik weer.” Hij liep de kamer uit om stoffer en blik te halen. In de keuken bukte hij zich om één en ander uit het keukenkastje te halen en zag daardoor niet dat zijn schaduw zich niet meebukte. Net zoals hij ook niet opmerkte dat zijn schaduw, toen hij al in bed lag, nog rechtop tegen de muur stond.

De volgende ochtend werd Wim gebroken wakker. Hij had vreselijk slecht en onrustig geslapen. De hele nacht had hij gedroomd van een fluisterstem die hem verwensingen toesiste. Kreunend stond hij op, een hete douche zou wonderen verrichten.
Even later kletterde het water op hem neer. Hierdoor hoorde hij niet dat de badkamerdeur zachtjes openging, ook niet dat het medicijnkastje geopend werd. De knal van het flesje dat tegen de muur kapot gegooid werd, hoorde hij daarentegen heel goed. Wim rukte het douchegordijn opzij en keek naar de ravage.
Hij deed de kraan uit en stapte uit bad. Heel voorzichtig, vanwege alle scherfjes. De felle badkamerverlichting gaf geen schaduwen. Maar achter Wim stond zijn schaduw, die zijn handen naar zijn nek uitstak.
Wim controleerde zijn pantoffels op glas, stak ze aan zijn voeten en liep naakt en nat de badkamer uit. Met de stofzuiger was de rommel zo opgeruimd, maar hij durfde niet verder te gaan met douchen.
Nadat hij aangekleed was, besloot hij de straat op te gaan. De zon straalde, vogels zongen, de hele wereld ademde zomer en rust en een zwoel briesje bracht bloemengeuren mee.
Wim merkte hier allemaal niets van. Hij voelde zich verward en op een bepaalde manier angstig. Wandelend langs een muur kon hij de verleiding niet weerstaan en keek uit zijn ooghoeken naar zijn schaduw. Iets klopte niet, maar wat?
Hij keerde zich naar de muur en keek. Hij voelde zich koud worden, ondanks de zonnewarmte.
Met zijn handen in de zakken staarde hij naar zijn zo vaak verguisde schaduw: die had de handen niet in de zakken, maar liet de armen lang het lichaam hangen.

De huisarts luisterde naar het relaas van de stotterende man.
En u weet zeker dat u het allemaal goed hebt gezien? Heeft iemand anders het ook gezien? Kijk, het is niet dat ik twijfel aan uw verhaal, maar wat u beschrijft kan nou eenmaal gewoon niet.
“Ik ben toch niet achterlijk, niet blind ook. En die dingen die zomaar kapot vlogen? Ik drink niet, gebruik geen drugs.”
De arts zuchtte: “Ik zal u iets kalmerends voorschrijven. Probeer eens een lange wandeling te maken. Sport eens wat minder, de mate waarin u dat doet levert waarschijnlijk te veel stress op.”

Bij de apotheek vroeg Wim een glas water en nam meteen een tablet van het voorgeschreven medicijn in. Het meisje achter de toonbank keek hem onderzoekend aan: wat zag die man eruit: donkere kringen onder zijn ogen, harde lijnen langs de mond en dan die bibberende handen! Misschien probeerde hij van de drank af te komen, die medicijnen waren tenslotte om rustig te worden.
Wim liep weer naar buiten, keek links en rechts en besloot het bos in te lopen dat vlakbij was.
In eerste instantie genoot hij wel van de wandeling. De rust en koelte, de geur van vegetatie en vochtig hout, het gefluister van de wind in de toppen van de bomen werkten rustgevend op zijn geest.
Een aangename loomte nam bezit van hem en hij voelde zich kalmer worden. Het medicijn deed zijn werk dus.
De zonnige vlekken op de grond, veroorzaakt door de zon tussen de bladeren door, leken hem te hypnotiseren. Zo wandelde hij verder, af en toe zuchtend van genot over het vredige gevoel dat hij ervaarde.
Het geritsel van bladeren maakte hem opmerkzaam: een eekhoorn? Wim keek over zijn schouder… en zag zijn schaduw lopen, bij iedere stap bladeren voor zich uit schoppend. Zijn zenuwen begaven het en luid huilend zakte hij op de grond.
Een echtpaar dat een eindje verderop fietste, kwam meteen zijn kant op. Ze bogen zich bezorgd over hem heen. “Meneer, meneer, gaat het? Bent u gevallen? Kunnen we wat voor u doen?”
Veel konden ze niet met het hakkelende verhaal over schaduwen, lampen en bladeren. Eigenlijk vonden ze het wel een beetje griezelig. Die man was duidelijk in de war, misschien wel gevaarlijk ook.
“Weet u wat, gaat u nu lekker naar huis. Wij lopen wel met u mee.”
“Ja maar dan komt hij achter me aan en is hij ook weer binnen.”
“Meneer, wij brengen u thuis en lopen even mee naar binnen. Dan zijn we zeker dat er niemand met u mee komt.”
Ze liepen mee, rustig en rustig pratend om hem te kalmeren. Dit had het gewenste effect en Wim begon te twijfelen. Misschien had hij het zich wel verbeeld, misschien had hij teveel stress gehad door al dat overmatige sporten. Naarmate ze dichter bij huis kwamen, raakte hij hier steeds meer van overtuigd en begon zich te schamen. Thuis gekomen nodigde hij het echtpaar uit voor een kop koffie. Eigenlijk hadden ze hier geen zin in, maar wie A zegt, moet ook B zeggen.
Ze liepen achter Wim aan naar binnen, ze zagen niet de schaduw die ook mee de woning inglipte.

Die nacht sliep Wim diep en vast, hoorde niets en zag niet dat zijn schaduw op het voeteneinde van zijn bed zat en naar hem keek. De volgende dag voelde hij zich verfrist en keek heel anders tegen de gebeurtenissen aan. Wat had hem gemankeerd? Hij moest overspannen zijn geweest.
Nu eerst een nieuwe lamp ingedraaid en kijken hoe hij er vandaag uitzag.
Wat hij zag stemde hem niet tevreden.
“Echt een schaduwtje van niks. Kijk nou! Dat wordt weer trainen.”
Het volgende moment had hij een klap in zijn gezicht te pakken. Een hand greep in zijn haar en sleurde hem op de grond. Een fluisterstem siste hem onverstaanbare dingen toe. Voordat hij het bewustzijn verloor, drong nog tot hem door dat de plek waar hij de klap had gekregen, koud was en niet warm.

Foto: Liesbeth Joosten
www.lijoo.com

Facebook
Facebook
Twitter
Visit Us

Eén reactie

  1. Goed verhaal , spannend , kijk al uit naar het vervolg