Laatste nieuws:
Haat
Haat

Haat Deel 2

Het is laat, ik ga maar naar bed. Aan het voeteneind kijk ik naar je. Je kussen is bevlekt, je haar geklonterd van het bloed. Ik ruik je alcoholadem op een paar meter afstand, ondanks het feit dat ik wijn heb gedronken. Morgen zul je naar je werk gaan, zoals altijd en aan je collega’s zul je eerst niets laten merken. Zodra iemand iets aan je hoofd ziet, zul je heel summier het één en ander vertellen op een manier alsof je mij spaart, zodat ze denken dat je toch wel erg edel bent om voor zo’n monster op te komen. Helaas zien ze niet dat jij dat monster bent, dat jij het bloed onder iemands nagels vandaan haalt.
Waarom druk ik niet gewoon een kussen over je lelijke gezicht om je te laten stikken? Maar ik ben te laf, ik wil voor jou de gevangenis niet in.

De wond heeft zich goed geheeld, je doet vriendelijk. Niet omdat je het meent, maar omdat je bent geschrokken. Natuurlijk heb je me genoeg beschimpt, maar je realiseert je kennelijk dat je me zelf over die grens hebt geduwd. Recht in het niemandsland waar iemand alle waarden en normen uit het oog verliest.
Maar ik weet dat je een tijdbom bent, eentje waarvan je weet dat hij gaat ontploffen, liefst met anderen erbij, zoals je zo vaak hebt gedaan. Heerlijk publiek, waaraan je kunt laten zien hoe jij met je zatte kop de zaakjes regelt. De enkele kennissen die je had, weigeren nog te komen en hebben dat ook ronduit tegen je gezegd. Maar jij vond dat het mijn schuld was; ik had je zover gedreven. Je vriendelijkheid is doorspekt met steken onder water, maar je doet toch vriendelijk? Waar heb ik dan nu weer een probleem mee? Een goede vriend heeft me gewaarschuwd: vandaag of morgen vallen er doden, zei hij. Hij vindt me veranderd sinds ik met jou ben: luidruchtig, grof, getekend. Ga toch weg, laat dit je niet aandoen.
Maar de praktijk is niet zo makkelijk.
Ik doe alles om een baan te vinden, een vast inkomen geeft me recht op een woning in een nette buurt, maar wat ik ook doe, het lukt me niet. Dus ben ik voor interims beginnen te werken. Ik werk veel en iedere baan is kans op ‘vast’. Helaas gaat dit niet zo snel. Een frustratie erbij, waar jij dankbaar gebruik van maakt om lekker in te wrijven: ‘Zie je? Ze willen je niet eens in vaste dienst hebben.’

Bijna iedere avond ga je na je werk naar de kroeg en thuis ga je je te buiten aan de wijn. De boodschappen, schoonmaak, het koken en al het andere dat erbij komt, komt op mijn schouders neer.
Je weet dat ik een hekel heb aan rommel en dus toch wel opruim. Niettemin heb je het er dagelijks over hoe lui ik ben en dat al die baantjes van mij toch niets voorstellen.
Dat ik negen uur per dag werk doe je af met een minachtend schouderophalen: na vijf uur kun je nog makkelijk boodschappen doen en poetsen. Hij ging naar de kroeg, en dan? Had hij niet het recht zich te ontspannen?
Je vindt dat ik dat niet hoef, koken is toch mijn hobby? Dat moet dus mijn ontspanning zijn. Ik walg van je, je domme gepraat, je onredelijke dronkemansgelal, je chagrijnige, lelijke gezicht. De lucht die je inademt is pure verspillerij voor het in leven houden van een nutteloos figuur.
Er gaan zoveel goeie mensen dood, waarom blijf jij leven?

Het is zaterdagavond. Je hebt nog niet eens zoveel gedronken, maar volgens mij ben je gewoon gek aan het worden. Zelfs als ik de gieter sta te vullen duw je me bij het aanrecht weg: doe dat maar in de badkamer, ik moet mijn handen wassen. Als ik antwoord dat je daar ook je handen kunt wassen, onderbreek je me en noemt me een stomme teef.
De hele avond laat je me niet uitpraten en als ik kwaad begin te worden ga je heel hard zitten lachen. Ik raak geen druppel drank aan. Ik besef dat ik mijn hoofd koel moet houden, dat anders mijn grenzen wegvallen. Heel vroeg ga ik naar bed, weg van jou. Je hebt een nieuwe fles wijn opengemaakt en ik weet uit ervaring dat niets je meer zal weerhouden van vreselijk dronken worden.

Na uren word ik wakker, ik moet naar de w.c. De plek naast me is onbeslapen. Dit is een ouderwets huis zonder toilet boven, nu moet ik naar beneden. De open trap is in de huiskamer en dus zal ik langs jou heen moeten. Ik tref aan wat ik had verwacht. Zonder iets te zeggen of acht te slaan op, glip ik langs je heen. De terugweg is moeilijker. Je pakt een slip van mijn nachtjapon, staat op en begint op zeer kleine afstand in mijn gezicht te schreeuwen. Ik ruk me los en ga de trap op.
Ik haat je, wat moet de wereld lieflijk zijn zonder jou. Ik haat je zonder enig besef van norm of moraal, ik heb het gevoel dat ik niet meer voor mezelf insta. Met mijn laatste beheersing sleep ik mezelf naar boven, weg uit deze verziekte sfeer van drank en haat. Je komt moeizaam overeind en loopt lallend achter me aan. Bovenaan de trap draai ik me om en kijk bevend van woede en haat op je neer.
Zwaaiend sta je aan mijn voeten, ik licht een been op en zet mijn voet op je borst en met alle woedende kracht in mij geef ik je een zet. Geen trap, maar een berekenende duw. Je vliegt naar achteren, probeert tijdens je val nog tevergeefs houvast te zoeken, om met je hoofd tot stilstand te komen tegen de massieve poot van de zetel. Een kleine plas bloed vormt zich om je hoofd.
Ik ga de trap af en doe alle lichten uit, in bed valt een soort berusting over me heen en ik val in een diepe slaap.

Ik sta bovenaan de trap en in het gore ochtendlicht zie ik je liggen. Een plas gestold bloed om je hoofd en je heupen in een plas urine. Een gevoel van wanhopig verdriet slaat over me heen. Ik loop naar de telefoon en bel de politie.
Nog voordat ze komen weet ik dat ze zullen denken dat je in dronkenschap van de trap bent gevallen. Immers, alle lichten waren uit en bloedonderzoek zal aantonen dat je onderhand bewusteloos had moeten zijn door overmatig drankgebruik. De zet op je borst zal geen blauwe plekken achtergelaten hebben, dus sporen van geweld zullen niet aan te tonen zijn. Gelaten blijf ik overal af, alleen jouw vingerafdrukken staan op de flessen en het glas.
De politie treft me aan met verward haar en in nachtkledij. Je bent duidelijk al uren dood. Ze voeren je af en ik krijg geestelijke hulp: wat vreselijk je partner zo aan te treffen.Ik kijk hen aan en krijg tranen in mijn ogen. Tranen van opluchting en dankbaarheid en meteen krijg ik een onverdiende, troostende arm om me heen.
Huil gerust uit, hoor ik en met mijn hoofd tegen die vreemde schouder glimlach ik gelukkig…

NN

Facebook4
Facebook
Twitter
Visit Us