Laatste nieuws:
Twee vrouwen in traditionele Kempense klederdracht

Eigen aard is goud waard: klederdracht van vroeger in de Kempen

Kleding was vroeger veel meer dan een praktische noodzaak. Op het platteland vertelde ze wie je was, waar je vandaan kwam, hoeveel geld er in huis was en zelfs of je in de rouw was. In de Noorderkempen en ver daarbuiten keek men scherp naar wat anderen droegen. Wie te modern, te opzichtig of te anders gekleed ging, kon rekenen op spot. Juist daardoor zegt klederdracht vandaag nog zoveel over het leven van toen.

Een wit overhemd als aanleiding voor spot

Er was een tijd dat men op onze buitendorpen degenen bespotte die ’s middags een wit overhemd durfden te dragen. ‘Kievit!’ riep men in de Noorderkempen zo iemand achterna. Zo’n spotnaam ontstond niet zomaar. Kleding hoorde binnen de ongeschreven regels van het dorp te blijven. Wie daarvan afweek, viel op, en opvallen was lang niet altijd een voordeel.

Boer in de Kempen - Kievit
Boer ‘Kievit’

De bijnaam ‘Kievit’ duikt ook op in het sprookje van ‘Boer Kievit’. Dat past perfect in die oude plattelandscultuur waarin een bijnaam soms sterker bleef hangen dan iemands echte naam. Een wit overhemd stond immers haaks op de sobere, donkere werkkleding die men gewend was. Wat vandaag onschuldig lijkt, kon toen aanleiding zijn tot gegniffel, wantrouwen of openlijke plagerij.

Klederdracht vertelde wie je was

Klederdracht was vroeger geen verkleedpartij, maar dagelijkse taal zonder woorden. Aan stoffen, kleuren, hoofddeksels en accessoires kon men vaak aflezen of iemand arm of welgesteld was, jong of ouder, in de rouw of op weg naar een feestdag. Op het platteland bestond bovendien een duidelijk verschil tussen werkkleding, zondagse kleding en kledij voor bijzondere gelegenheden zoals communie, huwelijk of begrafenis.

Mode kwam meestal uit de stad, maar op het platteland werd die niet blind gevolgd. Nieuwe invloeden werden eerst bekeken, gewikt en gewogen. Het volk was voorzichtig. Wat te ver afweek van het vertrouwde, kreeg al snel een spotnaam of werd eenvoudigweg afgewezen. Ook dat maakt oude klederdracht zo boeiend, ze toont niet alleen smaak, maar ook karakter en weerstand.

Klederdracht Noorderkempen - kapmantel links en boerenmantel rechts
Kapmantel (links) en boerenmantel (rechts)

Van kapmantel tot falie

Vooral de kapmantels en de mutsen hielden op het platteland lang stand. Een nieuwe kapmantel werd op den duur niet eens meer aangekocht. Zo’n kledingstuk ging over van moeder op dochter en kon, dankzij de stevige kwaliteit, generaties meegaan. Dat zegt veel over de waarde van textiel in een tijd waarin men niet zomaar iets verving omdat het uit de mode raakte.

Nog ouder dan de kapmantel was de falie, die eigenlijk tot de rouwkleding behoorde. Het ging om een eenvoudig, rechthoekig stuk zwart wollen of zijden stof. Net omdat de vorm zo eenvoudig was en het stuk vooral functioneel werd gebruikt, groeide de falie op sommige plaatsen uit tot een soort gemeenschappelijk bezit. Ze werd van huis tot huis uitgeleend, net zoals de doopsmantel, de witte zijden of wollen mantel die men een kind omgaf wanneer het naar het doopsel werd gedragen.

De vroegere kapmantel hoorde vooral bij de winterkledij. In de zomer koos men voor lichtere en vaak meer gekleurde kledingstukken. Daarbij hoorde ook de neusdoek, en meer bepaald de ‘gestoken’ neusdoek, een veelkleurige omslagdoek met krullen en bloemfiguren. De benaming verwees naar het stikwerk en de afwerking die zichtbaar waren aan de averechtse kant.

Klederdracht in de Noorderkempen - Goudvinken op het dorpsfeest
Goudvinken op het dorpsfeest

Goudvinken op kermis en bruiloft

Bij feestelijke gelegenheden, op kermisdagen of bruiloften, haalden Kempische boerinnen hun mooiste kleding boven. De gestoken neusdoek werd dan vastgezet met een ronde gouden borstspeld en gecombineerd met een zware gouden horlogeketen. Als daar nog gouden oorhangers bij kwamen, was het plaatje compleet.

Dat maakte indruk, maar lokte tegelijk commentaar uit. Minder begoede dorpsgenoten noemden zulke rijk uitgedoste vrouwen spottend ‘goudvinken’. Ook daarin zit iets typisch volks, bewondering en afgunst gingen vaak hand in hand. Mooie kleding werd bewonderd, maar tegelijk scherp in de gaten gehouden.

Brede cornetmuts met moiré linten
Brede cornetmuts met moiré linten

De muts verklapte streek en stand

Van alle onderdelen van de oude klederdracht behield de muts misschien wel het langst haar eigen karakter. Ooit kon men aan iemands muts vrijwel meteen zien of men in de polderstreek was of in de Kempen. In de polders droeg men de kanten trekmuts met lange of korte vleugels. Men zei zelfs: ‘Hoe rijker de boerin, hoe langer de vleugels.’

De Kempische muts zag er helemaal anders uit. De witte kanten grondvorm van de cornetmuts stond breed uit bij de oren en was in veel dorpen grotendeels gelijk van vorm. Achter op het hoofd zat vaak een platte strik met twee brede linten van moirézijde die over de rug afhing. De kleur van die linten verschilde, behalve in de rouw, want dan was zwart vanzelfsprekend.

💡 Wist je dat?

In de Noorderkempen kreeg een meisje vroeger haar eerste cornetmuts vaak bij haar plechtige communie. Zo’n muts was dus niet zomaar een modeaccessoire, maar ook een zichtbaar teken dat een meisje een nieuwe levensfase bereikte. Klederdracht had vroeger bijna altijd een sociale betekenis.

Kempense cornetmuts voor Eerste Heilige Communie

Sober, donker en duurzaam

Wie aan volksklederdracht denkt, ziet soms meteen bonte kleuren voor zich. Toch bleef in onze streken lang een voorkeur bestaan voor het sobere en donkere, met name bruin, zwart en blauw. In de Kempen bleef de kledij opvallend ingetogen. Het eerste echte kostuum kwam er vaak pas voor de plechtige communie, tenzij het pak van een oudere broer nog kon dienen. En een trouwfrak moest liefst een leven lang meegaan.

Dat vertelt iets belangrijks over vroeger. Kleding was duur. Men kocht niet voor één seizoen, men kocht voor jaren. Herstellen, aanpassen, doorgeven en bewaren waren vanzelfsprekende gewoonten. Precies daardoor is klederdracht ook een verhaal van zuinigheid, vakmanschap en familiegeschiedenis.

Klederdracht in de Kempen - Rustieke vrouw in traditionele klederen

Nieuwe mode kreeg meteen een spotnaam

In de stad kon de mode van het ene uiterste naar het andere springen. Lange rokken volgden op korte, kleine hoedjes op grote, smalle vormen op brede. Op het platteland ging dat veel trager. Men zocht eerst naar een tussenvorm, iets dat nog half vertrouwd aanvoelde. Het volk bood weerstand. Het nieuwe moest eerst goed bevonden en aanvaard zijn, pas dan werd het gedragen.

En wie toch te snel met de mode meeging, kreeg het te verduren. Spot en humor waren scherpe wapens. De boerenmuts werd verdedigd tegen de modehoed, de holsblok tegen de schoen. Voor zowat elk nieuw kledingstuk had men een bijnaam klaar. Een halsboord noemde men ‘een teljoor die men rond de hals draagt’, de bolhoed werd een ‘hondekot’, de strohoed een ‘strodak’ en de stropdas simpelweg een ‘porei’.

Daaruit spreekt niet alleen koppigheid, maar ook gezonde achterdocht. Nieuwe mode hoorde bij de stad, bij pronken, bij uiterlijk vertoon. Op het platteland bleef men liever met beide voeten op de grond.

Klederdracht op het platteland in de Kempen - Hoge hoeden en lachende mannen op de dorpskermis

Soms liep het zelfs uit de hand

Wanneer vreemden zich naar de kermissen begaven, kon kleding soms aanleiding geven tot echte ruzies. Dragers van hoge hoeden waren daarbij niet zelden het mikpunt. Hun hoed werd tot over de oren geduwd, zodat hij haast niet meer loskwam. Ook vreemde vrijers die zich al te netjes hadden opgedoft om ergens in een afgelegen gehucht hun geliefde te bezoeken, kwamen volgens oude verhalen geregeld van een kale reis thuis.

Het klinkt vandaag bijna ongelooflijk, maar het toont hoe gevoelig kleding toen lag. Een halsboord, een hoed of een opvallende jas kon volstaan om als buitenstaander te worden bekeken. Kledij was niet neutraal. Ze gaf aan of je erbij hoorde, of juist niet.

Spotliedjes als waarschuwing

Dat ‘nieuwmodische’ kleding in volksliederen werd bespot, hoeft dan ook niet te verbazen. In zulke liedjes legde men de nadruk op het opvallende en dus ook op het belachelijke van de mode. Vaak waren het tegelijk waarschuwingen aan mannen, opgepast voor schijn, voor pronkzucht en voor uiterlijk vertoon dat meer kostte dan het huishouden kon dragen.

♫ Spotlied uit vroeger tijden ♫
 

Men ziet het vrouwvolk lopen
Zo aardig opgezet
Om de jongens te gaan stropen
En te krijgen in het net

’t Zijn linten en ’t zijn strikken
En parels met de macht
Het haar dat hangt in bekken
Hun voorhoofd is gepracht

Een hoed met vele bloemen
Zo groot als ene wan
Zij doet zich juffrouw noemen
Om te krijgen ene man

Hoog’ hielen onder de schoenen
Een vooltje voor ’t gelaat
Zij trekken op kalkoenen
Die lopen op de straat

Thuis zit men zonder eten
De beurze die is plat
Het meisje wel geweten
Hangt alles aan heur gat

Verzameling volksliederen, Stadsbibliotheek Antwerpen.

Meer dan nostalgie

Wie vandaag naar klederdracht kijkt, ziet misschien vooral folklore of nostalgie. Toch is het meer dan dat. In die mutsen, mantels, neusdoeken en linten zit een hele wereld verscholen van regels, gewoonten, trots, zuinigheid en onderlinge controle. Klederdracht laat zien hoe sterk gemeenschap vroeger werkte, maar ook hoe mode, status en spot al eeuwenlang met elkaar verweven zijn.

Misschien is dat precies waarom dit onderwerp nog altijd aanspreekt. Kleding vertelt nog steeds iets over wie we zijn. Alleen zijn de regels veranderd. Waar vroeger een wit overhemd al aanleiding gaf tot gelach, scrollen we vandaag langs trends, merken en stijlen. Maar de blik van anderen, die is nooit helemaal verdwenen.

In die zin is klederdracht niet alleen iets van vroeger. Het is ook een spiegel, van de streek, van de tijd en van de mens zelf.

Paul Witters

13,8k volgers